schooladvies en kansengelijkheid

Niet de toets, maar de leerkracht bepaalt het schooladvies

De manier waarop leerkrachten informatie uit de dagelijkse onderwijspraktijk en de doorstroomtoets gebruiken blijkt bepalend voor het uiteindelijke schooladvies. Verschillen in schooladviezen worden vaak toegeschreven aan de doorstroomtoetsen. Onderzoek van de HAN laat echter zien dat de wijze waarop informatie wordt gebruikt er mogelijk voor kan zorgen dat vergelijkbare leerlingen verschillende schooladviezen krijgen. 

Het schooladvies aan het einde van de basisschool heeft grote invloed op de verdere onderwijsloopbaan van leerlingen en speelt daarmee een belangrijke rol in kansengelijkheid. In opdracht van het College voor Toetsen en Examens (CvTE) onderzocht het HAN-lectoraat Eigentijds Beoordelen en Beslissen hoe schooladviezen in de praktijk tot stand komen.

Adviezen meestal helder

Uit het onderzoek blijkt dat voor de meeste leerlingen in groep 8 duidelijk is welk schooladvies het best passend is. Gegevens uit het leerlingvolgsysteem laten een eenduidig beeld zien en de doorstroomtoets (het toetsadvies) bevestigt dit. Het voorlopig schooladvies wordt bij deze groep leerlingen na de afname van de doorstroomtoets zonder wijzigingen omgezet naar het definitief schooladvies. 
 
In vrijwel iedere klas is er echter ook een kleine groep leerlingen waarbij dit niet het geval is. Het geheel aan beschikbare informatie – uit het leerlingvolgsysteem, uit de dagelijkse onderwijspraktijk en uit methodegebonden toetsen, en uit de doorstroomtoets – is dan niet consistent, of laat ruimte voor interpretatie. Juist bij deze leerlingen ontstaat twijfel – en daar wordt het schooladvies minder vanzelfsprekend.

Verschillende afwegingen bij twijfelgevallen

Juist bij deze kleinere groep leerlingen zijn er verschillen in de totstandkoming van de adviezen. Uit gesprekken met leerkrachten blijkt dat de manier waarop leerkrachten leerlingkenmerken zoals motivatie of werkhouding mee laten wegen bij het geven van een (voorlopig) schooladvies verschilt.
 
Daarnaast blijkt dat scholen verschillend omgaan met de uitslag op de doorstroomtoets. Sinds de invoering van de doorstroomtoets zijn scholen verplicht om het voorlopig schooladvies naar boven bij te stellen als de score op de doorstroomtoets hoger is. Er zijn scholen die altijd bijstellen. Er zijn echter ook scholen die het schooladvies van de leerkracht als leidend zien. Deze scholen kiezen er bewust voor om het advies niet bij te stellen op basis van de informatie uit de doorstroomtoets. 
 
Tot slot varieert de rol die ouders spelen bij de totstandkoming van het definitief schooladvies. In vrijwel alle gevallen bespreken leraren een hogere score op de doorstroomtoets met ouders. Soms is de wens van ouders doorslaggevend bij het wel of juist niet bijstellen van het schooladvies. 

“Het is geen puur technische afweging. Leerkrachten moeten verschillende soorten informatie combineren en daar betekenis aan geven. Dat doen ze allemaal vanuit de intentie om ieder leerling het best passende advies te geven.”

Oproep: geef aandacht

Volgens de onderzoekers is er een verschuiving in het debat nodig. Het debat richt zich nu vooral op de doorstroomtoetsen zelf. De vraag die volgens de onderzoekers centraal zou moeten staan, is de vraag hoe beslissingen over leerlingen tot stand komen. De oproep van de onderzoekers is nadrukkelijk gericht aan zowel beleidsmakers als onderwijsprofessionals. De oproep is als volgt:
  • Voor beleidsmakers en politiek: richt het debat over kansengelijkheid niet alleen op de relatie tussen kansengelijkheid en de doorstroomtoetsen, maar heb hierbij nadrukkelijk ook aandacht voor de kwaliteit en transparantie van besluitvorming bij schooladviezen.
  • Voor scholen, besturen en lerarenteams: maak expliciet hoe omgegaan wordt met verschillende (soorten) informatie bij het komen tot een schooladvies en maak ruimte voor gezamenlijke professionele afstemming, met name bij twijfelgevallen.
  • Voor het bredere onderwijsveld (waaronder opleiders en begeleiders): ondersteun leerkrachten in het versterken van data-geļnformeerde besluitvorming en het omgaan met dilemma’s bij de schooladvisering.

 

Als we kansengelijkheid echt willen versterken, moeten we niet alleen kijken naar de instrumenten die we gebruiken, maar vooral naar hoe we de informatie uit die instrumenten gebruiken om tot beslissingen komen,” zegt Tamara van Schilt-Mol, lector Eigentijds beoordelen en beslissen. Martijn Peters: “Zolang vergelijkbare leerlingen in vergelijkbare situaties verschillende schooladviezen krijgen, ligt daar de belangrijkste opgave voor het onderwijsveld.”

“We zien dat het debat vaak over de doorstroomtoets gaat, terwijl de grootste verschillen ontstaan in hoe leerkrachten informatie wegen. Juist bij leerlingen over wie twijfel bestaat, maken die afwegingen het verschil.”

Meer weten?

Het hele onderzoeksrapport lees je op deze pagina. Wil je contact met de onderzoekers van het lectoraat? Mail ons dan op onderzoek-educatie@han.nl.