Het eerste jaar van de opleiding staat in het teken met de vraag: 'Wat betekent het om leraar te zijn en wat betekent dat voor mij?' Dit eerste jaar heeft tot doel dat je zicht krijgt op de verschillende aspecten van het beroep leerkracht basisonderwijs en wat dit betekent voor jou als persoon. Om een antwoord te vinden op deze vraag werk je in het eerste jaar aan zeven verschillende beroepstaken.
Theorie en praktijk
Je gaat op zoek naar antwoord op allerlei vragen, zoals ´Hoe ga ik om met kinderen in een groep? Wat doe ik als ze niet luisteren? Is dit beroep echt iets voor mij?´. Je duikt in het beroep van leraar en je onderzoekt hoe het basisonderwijs anno nu in elkaar zit. In deze fase van de opleiding laat je ook zien dat jouw kennis van de vakken van voldoende niveau is.
Al vanaf het begin loop je stage, dus ook tijdens het behalen van je propedeuse. Je loopt stage - in ieder geval één dag in de week - bij jonge en bij oudere kinderen, zodat je een goed beeld krijgt van het beroep.
Leergebieden
Een leraar geeft niet één vak, maar leert kinderen álle vakken. Ook jij duikt dus in de inhoud en didactieken van alle vakken. We hebben ze ondergebracht in vijf leergebieden:
- leergebied taal
bestaande uit de vakken taal en taaldidactiek, logopedie, schrijven en Engels
- leergebied oriëntatie op jezelf en de wereld (ojw)
bestaande uit de vakken sociale wereldoriëntatie: aardrijkskunde en geschiedenis, natuuronderwijs, educaties en techniek
- Leergebied kunsten
bestaande uit de vakken drama, beeldende vorming, muziek en dans
- leergebied bewegingsonderwijs
- leergebied rekenen-wiskunde