Je bent meestal lid van een multidisciplinair team, samen met andere therapeuten, psychologen, artsen of begeleiders. Ook werkt een creatief of psychomotorisch therapeut vaak vanuit een eigen praktijk.
Opbouw van de voltijdopleiding Creatieve Therapie
Als creatief en psychomotorisch therapeut werk je met individuen en met kleine groepen (8/9 personen), zowel zelfstandig als in teamverband.
Op deze pagina:
Ontwikkel je kennis en vaardigheden
De major is de hoofdmoot van je opleiding: hierin ontwikkel je de kennis en vaardigheden die je nodig hebt om je latere beroep uit te oefenen. In het kader van de major doe je ook minimaal 1 stage. Waar mogelijk is er binnen de major ruimte om verschillende specialisaties te kiezen.
Wat ga je leren bij Creatieve Therapie?
Tijdens de opleiding leer je therapeutische processen te hanteren. Dit leer je zowel in de praktijk via stages als in het leslokaal. Je leert mensen te observeren en te behandelen met behulp van de door jou gekozen therapievorm.
De voltijdopleiding Creatieve Therapie duurt 4 jaar. Na het eerste jaar ga je naast je studie ook stage lopen. De HAN biedt na je opleiding voldoende mogelijkheden verder te studeren binnen de sector Gedrag en Maatschappij. De opleiding bestaat uit een propedeutische en de hoofdfase.
Kies uit 4 differentiaties
Voordat je met de opleiding begint doe je mee aan een preselectie en kies je een van de volgende 4 differentiaties:
- In Creatieve Therapie Drama gaat het om doen en ervaren in het spel. Je maakt gebruik van lichaamshouding, beweging, de stem, mimiek, improvisatie, spontaniteit en samenspel.
- In Creatieve Therapie Beeldend gaat het om het vormgeven van gevoelens in een beeld (schilderij, kleiwerk) etcetera. Er wordt gebruik gemaakt van verschillende materialen, vormen en kleuren.
- In Creatieve Therapie Muziek gaat het om het maken van en luisteren naar muziek. De cliënt maakt daarbij gebruik van improviseren, componeren, noteren en het beluisteren van muziek.
- In Psychomotorische Therapie gaat het om bewustwording en verandering van handelen, denken en voelen binnen bewegingsgedrag en lichaamsbeleving. Je gebruikt daarvoor bewegings- en lichaamsgerichte therapievormen.
Beroepstaken
In de opleiding staan de volgende beroepstaken centraal:
- Indiceren
Je bepaalt welke therapeutische behandelmethode het beste past bij de hulpvraag van de cliënt. - Behandelplan ontwerpen
Na analyse en diagnose formuleer je creatief-therapeutische of psychomotorisch-therapeutische doelen en je ontwerpt een behandelplan. Je kijkt daarbij hoe de cliënt psychisch optimaal kan functioneren. - Behandeling uitvoeren
Je voert de creatief- en psychomotorisch-therapeutische behandelmethode op verantwoorde wijze uit. - Werken in en vanuit de arbeidsorganisatie
Je werkt in een organisatie en levert met jouw professionaliteit een bijdrage aan het functioneren van de organisatie. - Onderzoek en innovatie
Je ontwikkelt een eigen visie op creatieve therapie en psychomotorische therapie en levert een bijdrage aan de ontwikkeling van het beroep. Dat doe je door onderzoek te doen.
Portfolio, POP en toetsing
- Portfolio
Tijdens je opleiding hou je zelf een (digitaal) portfolio bij. Dit is een soort archiefmap van je studie. Hierin bewaar je allerlei studiegerelateerde producten die je in de loop der jaren verzamelt. Waarom? Je kunt deze producten bijvoorbeeld gebruiken als bewijs om studiepunten te halen.
- Persoonlijk Ontwikkelingsplan (POP)
Je POP bewaar je ook in je portfolio. In zo'n POP staat wat je wilt leren en welke competenties je wilt ontwikkelen. Je schrijft een POP samen met je studieloopbaanbegeleider.
- Toetsing
Je bewijsstukken uit je portfolio kun je 2 keer per jaar omzetten in studiepunten. Als je na een half jaar voldoende bewijsmateriaal hebt, kun je een assessment aanvragen. Een assessor beoordeelt dan de kwaliteit van het materiaal.
De assessor bespreekt met je of het bewijs voldoende is voor een aantal studiepunten. Mogelijk moet je nog een aanvullende opdracht doen. Soms, en zeker later in de opleiding, zal een assessment bestaan uit al dan niet gesimuleerde beroepssituaties. Je verricht handelingen, brengt een advies uit of leidt een groep in goede banen. Daarmee bewijs je dan dat je een (onderdeel van een) bepaalde beroepstaak kunt uitvoeren.


