Praktijkonderzoek: voortgang discussie!
15 november 2011
In vorige HANovatie-nieuwsbrieven ontspon zich een discussie over praktijkonderzoek. In onderstaand dubbelinterview reageren Lector Acute Intensieve Zorg Joke Mintjes en Rob van der Sande, Eerste Lector Kenniscentrum Zorg & Revalidatie, op de bijdrages in de vorige HANovaties
Methodologie
Erik Jansen stelt dat praktijkonderzoek van doen heeft met een complexe, dynamische werkelijkheid. Een dichtgetimmerd methodologisch raamwerk is zodoende een onmogelijkheid. Onderzoek en methodologie dienen soepel mee te bewegen met die veranderlijke realiteit, en wel op basis van voortschrijdend inzicht. Zijn het jullie het hiermee eens?
Joke Mintjes: ‘Jawel, daar kan ik me in vinden, zolang we tenminste wel ervoor zorgen dat onderzoek en methodologie wetenschappelijk verantwoord zijn. Zo moet onderzoek logisch in elkaar steken en herhaal- en toetsbaar zijn. Daarnaast hebben we erop toe te zien dat we onze brongegevens te allen tijde op orde hebben, zoals een recente affaire maar weer eens pijnlijk duidelijk maakt.’
Rob van der Sande: ‘Praktijkonderzoek heeft net als ander onderzoek het oogmerk om kennis te genereren. Typisch voor praktijkonderzoek is dat de onderzoeksvraag voortkomt uit een specifieke context (een vraag over een bepaalde beroepspraktijk), wat soms kan wringen met de generaliseerbaarheid van de kennis.’
Praktijkverbetering
Joke Mintjes: ‘Je genereert óók kennis, maar praktijkonderzoek moet behalve betrouwbaar vooral maatschappelijk relevant zijn. De focus van hbo-onderzoek ligt op praktijkverbetering, en niet per se op hoe wetenschappelijk robuust of innovatief je onderzoek is; aan het eind van de rit word je ook op praktijkverbetering afgerekend, en zo hoort het bij praktijkgericht onderzoek.’
Rob van der Sande: ‘Toch plaats ik daarbij de kanttekening dat de kennis die je met je onderzoek zoekt niet automatisch leidt tot een oplossing. Die kennis kan bovendien heel relevant zijn voor de beroepspraktijk zonder dat ze direct bijdraagt aan het oplossen van problemen.’
Joke Mintjes: ‘Veel praktijkgericht onderzoek is eigenlijk haast casuïstiek. Er worden andere, praktijkrelevante eisen aan gesteld. Het hoeft niet zo dwingend extrapoleerbaar te zijn naar andere contexten als, bijvoorbeeld, natuurwetenschappelijk onderzoek. De specifieke praktijk, daar draait het in eerste instantie om.’
Rob van der Sande: ‘Zo gescheiden zie ik die werelden niet. Voor mij heeft (praktijk)onderzoek weinig zin als ik er geen voorspellingen mee kan doen voor andere (praktijk)contexten. Ik wil solide, zekere kennis vergaren die breder van toepassing is dan alleen voor een particulier geval.’
Joke Mintjes: ‘Als ik in een specifieke context een bepaalde werkelijkheid weet bloot te leggen, dan zoek ik natuurlijk naar mogelijkheden om dit te extrapoleren naar andere contexten. Maar dat is niet de raison d’être van praktijkonderzoek. Als je twee mensen dezelfde vraag stelt, krijg je als regel verschillende antwoorden. Herhaalbaarheid van de verkregen antwoorden is dan weliswaar niet aan de orde, maar de informatie die je met de methode verkrijgt, heeft wel degelijk bredere waarde en betekenis. En als je in een bepaalde context praktijkvragen oplost, dan kan dat daarna faciliterend werken voor innovatie.’
Kwaliteit
Hoe waarborgen we de onafhankelijkheid van onze onderzoekers en borgen we, meer algemeen gevraagd, de kwaliteit van praktijkgericht onderzoek?
Rob van der Sande: ‘Allereerst door methoden te gebruiken waar we het allemaal over eens zijn en die controleerbaar zijn. De hogescholen hebben hierin nog een weg te gaan, waarbij het geen kwaad zou kunnen als we ons licht eens wat vaker zouden opsteken in de universitaire wereld.’
Joke Mintjes: ‘De HBO-raad heeft een algemene gedragscode voor onderzoekers opgesteld. Hoe algemeen ook, je kunt je erop beroepen als je twijfels hebt over een bepaald hbo-onderzoek.’
Rob van der Sande: ‘Bij het UMC St Radboud bestaat er een (verplichte) cursus wet- en regelgeving voor onderzoekers. Daar zijn we bij de hogescholen nog nauwelijks mee bezig. Of denk aan het naar de regels van de kunst opbouwen en beveiligen van databases of het werken met openbare codeboeken, dat staat allemaal nog in zijn kinderschoenen. Aan de universiteiten is men verder met het streven naar maximale transparantie en controleerbaarheid. Hoewel de actuele casus van Stapel aantoont dat daar het onderzoekshuis zeker ook nog niet af is.’
Joke Mintjes: ‘Ik sluit me aan bij de zaken die Rob noemt. Verder is in mijn ogen met name peer review gedurende de looptijd van het onderzoek van wezenlijk belang. Collegiale toetsing biedt een waardevolle toetssteen, zowel voor de onafhankelijkheid van de onderzoeker als de algehele kwaliteit van het onderzoek.’
Rob van der Sande: ‘Bovendien zijn er geregeld visitaties waarbij onderzoeksgroepen opening van zaken geven. Bij die gelegenheden wordt niet alleen de output maar vooral ook de kwaliteit onder de loep genomen. Hoe worden data verzameld en opgeslagen? Is er bijvoorbeeld een afdoende beveiligd systeem voor data-opslag? Eén ding is zeker: er moet aan de hbo’s nog veel gebeuren op kwaliteitsgebied.’
Joke Mintjes: ‘Onderdeel van het kwaliteitszorgsysteem van de HAN is bijvoorbeeld wel dat we ons onderzoek langs de meetlat van de EPiC-gids(Evaluating Research in Context) houden om zo de maatschappelijke relevantie van onze inspanningen te beoordelen.’
Methodologisch lectoraat?
Wat vinden jullie van Jansens pleidooi voor een overkoepelend, methodologisch lectoraat als gesprekspartner, kennisdeler en vraagbaak voor de overige lectoraten?
Joke Mintjes: ‘Ik vind dat een zinvolle suggestie, geheel in lijn met de denktrant in het lezenswaardige boek van professor Piet Verschuren over praktijkonderzoek.’
Rob van der Sande: ‘Zeker. Elke zichzelf respecterende hbo-instelling dient een methodoloog in huis te hebben. Ik zou wel graag zien dat die methodoloog goede banden onderhoudt met de universiteit. We leven immers ook in dit opzicht niet op een eiland.’
Aandachtspunten
Wat zijn de belangrijkste globale aandachtspunten voor goed praktijkonderzoek aan de HAN in het licht van onze UAS-ambities?
Rob van der Sande: ‘We dienen meer dan tot dusver de aansluiting te zoeken bij de universiteit, niet alleen qua infrastructuur maar ook wat de inhoud aangaat. We zijn nu een University of Applied Sciences aan het inrichten met een veelheid aan onderzoeksgroepen. Mij lijkt een onderzoeksprogramma dat (groten)deels parallel loopt aan het universitaire onderzoeksprogramma van de Radboud een verstandige zet. Dat betekent niet dat wij alleen maar moeten doen wat de universiteit doet, maar wel dat we afstemming en kruisbestuiving zoeken. In de ideale situatie, als we werkelijk aan applied sciences doen, kunnen we dan gezamenlijk optrekken.’
Joke Mintjes: ‘Ik hecht eveneens aan een goede samenwerking met de universiteit, zolang de toepasbaarheid van kennis maar niet in het geding komt. Implementatie van kennis slaat een mooie brug tussen wetenschap en praktijk, omdat die toepassing in en voor de praktijk weer nieuwe inzichten en kennis oplevert.’
Rob van der Sande: ‘Ja, we moeten de praktijk niet uit het oog verliezen, ons onderzoek staat of valt met de relevantie voor onze maatschappelijke omgeving. Zo word mijn aanstelling voor de helft bekostigd door een grote zorginstelling. Niettemin is de binding met de universitaire onderzoekswereld heel relevant, wat trouwens de betalende zorginstelling zelf ook erg benadrukt.’
Neem de tijd
Wat willen jullie verder nog toevoegen aan de discussie zoals die in vorige nummers van de HANovatie-nieuwsbrief is gevoerd?
Rob van der Sande: ‘Het inrichten van een UAS is een langlopend proces van tien tot vijftien jaar, zo leert de ervaring op de universiteiten. We moeten daarin koersvast ageren. We dienen te kiezen voor een algemene lijn, met een heldere keus voor enkele kenniscentra die logistiek, inhoudelijk en financieel moeten worden gevoed. Durf hiervoor de tijd te nemen en laat je niet leiden door de waan van de dag, zou ik zeggen. Met een slingerkoers kom je niet tot gedegen resultaten. Ik geloof niet dat iedereen bij ons voldoende ervan doordrongen is dat uitgroeien tot een UAS echt een proces van de lange adem is, waarbij heel veel komt kijken. Net hadden we het over kwaliteitsborging; welnu, dat heeft nogal wat voeten in de aarde. Je regelt dat niet op een zaterdagnamiddag. Onderzoekers opleiden kost jaren en onderzoeksprogramma’s behoren een langetermijninvestering te zijn.’
Joke Mintjes: ‘Ja, je moet vasthouden aan je koers, al duurt het tien of vijftien jaar. Toch krijg je onherroepelijk ook te maken met kortcyclische veranderingen en dan zul je flexibel op wisselende praktijkvragen moeten weten in te spelen.’
Rob van der Sande: ‘Daar ben ik het mee eens. Enerzijds dien je hoofdlijnen vast te leggen voor de lange termijn in een programma dat voldoende samenhang heeft. Daarbinnen is er ruimte nodig om mee te kunnen gaan in veranderende of nieuwe behoeftes uit de praktijk.’
Joke Mintjes: ‘Wat ik zou willen, is dat we niet alleen worden afgerekend op onze wetenschappelijke output zoals het aantal publicaties, maar met name ook op onze relevantie voor de praktijk. Hiertoe dienen we de praktijk nog meer te bevragen: hebben de onderzoeksresultaten bijgedragen tot verbetering van de praktijk? Dat is de hamvraag. Bijvoorbeeld in mijn vakgebied, de acute zorg, zou ik graag zien dat de praktijk hier meer zeggenschap in krijgt.’

Aantal reacties: 0