Praktijkonderzoek: discussie
17 januari 2012
In vorige HANovatie-nieuwsbrieven ontspon zich een discussie over praktijkonderzoek. Nu de HAN zich heeft opgemaakt om uit te groeien tot een University of Applied Sciences wint dit thema alleen nog maar aan gewicht. Professor Piet Verschuren beet het spits af met zijn bijdrage in juni. In de daaropvolgende nieuwsbrieven gaven meerdere HAN-lectoren al hun kijk op praktijkonderzoek. In onderstaand interview is het woord aan Jan Jurriëns, lector Innovatie in de Private Sector, verbonden aan de Faculteit Economie en Management.
Hoe verhoudt zich onderzoek aan de hogescholen tot dat van universiteiten?
‘Aan onderzoek bij hogescholen worden geen principieel andere eisen gesteld dan aan academisch onderzoek. Wel is voor een hogeschool als de HAN de context, de concrete praktijksituatie, het uitgangspunt, reden waarom ik liever over contextgericht onderzoek spreek. Wij zoeken naar antwoorden op praktijkvragen waar je in diezelfde praktijk wat aan hebt.
De universiteiten doen meer aan theorievorming. Beide benaderingen zijn uiteraard waardevol. Waar de universiteit beter is in theorievorming, zijn wij beter op het terrein van managerial implications. Met dat laatste doel ik op onze meerwaarde om beslissers in bedrijven en organisaties terzijde te staan met gedegen praktijkonderzoek en de toepassing van de uitkomsten daarvan in de desbetreffende context.
Verder sta ik er volledig achter dat we goed dienen samen te werken met bijvoorbeeld de Radboud Universiteit, maar wel met behoud van eigen identiteit, dus zonder onze maatschappelijke opdracht uit het oog te verliezen. We kunnen elkaar versterken en we hebben elkaar ook nodig om voldoende massa te genereren, passend bij onze ambities.’
Hoe belangrijk is een goede vraagstelling in praktijkonderzoek?‘
‘In het verlengde van wat Piet Verschuren heeft gezegd, vind ik dat de praktijk zorgvuldiger moet worden in de onderbouwing van de besluitvorming in relatie tot onderzoek. Als je je onderzoeksvraag al niet helder hebt – wat wel eens voorkomt bij contextgerichte onderzoeken in opdracht van bedrijven en organisaties – dan moet je voorzichtig zijn met vergaande conclusies uit die onderzoeken. De uitkomsten zijn soms nogal arbitrair, wat de pers er veelal niet van weerhoudt om er meteen groot nieuws in te zien. Dat is uiteraard een onwenselijke gang van zaken; hier is zeker nog de nodige ruimte voor verbetering.
De vraagstelling en onderbouwing van het onderzoek moeten dus op orde zijn, waarbij bij contextgericht onderzoek altijd het nut voor de maatschappij voorop moet staan. Bij fundamenteel onderzoek aan universiteiten bestaat het gevaar dat men zich blindstaart op de statistische onderbouwing en daardoor te snel gelooft in de uitkomsten van het eigen onderzoek. Hier zijn de hbo’s in het voordeel doordat ze meer verbindingen hebben met de context, dus de praktijk. Soms weten we gewoon uit eerste hand dat een bepaalde uitkomst niet strookt met de feitelijke gang van zaken. Ook dat is heel relevante informatie.’
Gaat het bij praktijkonderzoek bovenal om praktijkverbetering of moet het accent eerder liggen op een gedegen methodologische onderbouwing?
‘Contextgericht onderzoek is uit de aard van de zaak altijd in beweging. De buitenwereld staat nooit stil, en hetzelfde geldt bijgevolg voor onderzoek naar praktijkkwesties. Zodoende is werken aan methodiekverbetering weliswaar van groot belang, maar wel terwijl de winkel openblijft. Het is niet realistisch om te verwachten dat je in methodologisch opzicht meteen al aan de hoogste eisen zult kunnen voldoen. Werk daar hard aan, zou ik zeggen, maar gun jezelf als hogeschool de tijd om op grond van voortschrijdend inzicht steeds beter hierin te worden. Daar komt bij dat we niet al te rigide naar een bepaald type methodologie dienen te streven als leidraad voor al ons onderzoek. We hebben immers bij de HAN heel verschillende soorten onderzoek in huis, van narrative tot kwantitatief. Laten we zodoende eerst ervoor zorgen dat we aan de slag gaan met onderzoek en, terwijl we dat doen, standaarden ontwikkelen. Anders werpen we voor onszelf een blokkade op, die verandering in de gewenste richting in de weg staat.
Wel dienen we toe te werken naar dezelfde onderzoekskwaliteit als bij de universiteiten. De lat dient even hoog te liggen. We hebben zonder twijfel nog een aanzienlijke slag te maken als het gaat om onderzoeksmethodiek. Tegelijkertijd moeten we vasthouden aan onze eigen focus en identiteit. Wij zitten dicht op de data, dicht op de werkelijkheid. Dat is onze kracht en daar moeten we gebruik van blijven maken.’
In hoeverre kan en mag de leiding van de HAN sturen op onderzoek of staat dit de vrijheid en onafhankelijkheid van de onderzoekers in de weg?
‘Onderzoek wordt er sterker en beter van als je het stapelt, waarmee ik bedoel dat je de diverse onderzoeksactiviteiten zinvol met elkaar verbindt en van de synergie profiteert. Inhoudelijk heb je veelal overlap in onderzoeksthema’s met de aandachtsgebieden van andere lectoraten. Samenwerking is dan even logisch als waardevol. Het zou een gemiste kans zijn om geen gebruik te maken van elkaars expertise. Dan haal je ook niet het gewenste niveau.
Ik heb het hierbij niet over bemoeizucht of inperking van elkaars ruimte, maar over een kruisbestuiving tussen onderzoeksprofessionals op basis van respect voor elkaars toegevoegde waarde. Vanuit dat respect kun je elkaar vinden in een samenwerking waarvan alle betrokkenen wijzer worden.’
Wat zijn de sterktes van het huidige praktijkonderzoek bij de HAN?
‘We staan dicht bij de praktijk. We denken mee met de opdrachtgever en hebben, zoals gezegd, oog voor de managerial implications. We helpen hem of haar in het bijzonder mee om de vraag achter de vraag bloot te leggen. Vaak is er namelijk een onderliggende vraag, die in eerste instantie onbelicht blijft. Aanvaard dus als hogeschool niet meteen klakkeloos een onderzoeksopdracht; maar ga zorgvuldig na, samen met de mensen uit de praktijk, hoe diezelfde praktijk zoveel mogelijk baat kan hebben bij het onderzoek. Daar zijn wij sterk in. Dit vergt wel voortdurend onderhoud. We dienen nog meer dan nu het geval is, de boer op te gaan en opdrachtgevers proactief terzijde te staan bij het formuleren van waar zij behoefte aan hebben; die behoeftes kunnen we vervolgens vertalen naar onderzoeksvragen.
De hechte relatie die we momenteel met het werkveld hebben, is overigens geen vanzelfsprekendheid, laat staan een verworven recht. De universiteiten richten zich inmiddels ook meer op de praktijk. De TU’s in Delft, Enschede en Eindhoven maar ook Nijenrode hebben net zo goed een praktische invalshoek en daar staat men zeker niet stil, integendeel. Er is dus een blijvende inspanning van onze kant nodig om die bijzondere relatie bijzonder te houden.
Dat we een doorlopende onderzoeksleerlijn hebben ontwikkeld, is een ander sterk punt van onderzoek binnen de HAN. Daarmee heb je in feite een trait d’union om lectoraten samen te laten werken, wat weer positief uitwerkt op zaken als massa, synergie en kwaliteit. We slagen er nu al aardig in om elkaar te vinden en disciplines bij elkaar te brengen. Maar het kan altijd beter. Bijvoorbeeld door een docent die uitmuntend is in statistiek meer erbij te betrekken of door een netwerk van promovendi op te zetten waarin kennis en methodes worden uitgewisseld.'
Wat zijn mindere kanten van ons momentele praktijkonderzoek, en wat kunnen we daaraan doen?
‘Bij de HAN hebben we onvoldoende zicht op de verschillende soorten wetenschappelijke researchmethodieken die er zijn. Verder zijn niet alle onderdelen van de HAN even ver. Zo zijn de FEM-opleidingen waarin marketing centraal staat, al erg vertrouwd met onderzoek, terwijl andere onderdelen dat veel minder zijn. Dat behoeft een inhaalslag.’
Wat zijn drie zaken die toekomstig in elk geval aandacht behoeven wat betreft praktijkonderzoek?
‘Denk en werk vanuit termen van veranderen, vernieuwen en groeien. Dat is de randvoorwaarde om succesvol te zijn.
Zorg verder voor voldoende focus en massa. Er dient voldoende regie te zijn op wat we onderzoeken en hoe zich dat verhoudt tot andere onderzoeken. Natuurlijk dient die regie niet rigide te zijn, maar voldoende souplesse kennen om flexibel in te spelen op vragen uit de praktijk. Werk daarbij actief samen met andere onderzoekers binnen en buiten de HAN.
Ten derde: heb respect voor elkaars expertise en maak er volop gebruik van.’
Hans Wanningen

Aantal reacties: 0