Mooi dat we aan de UAS gaan werken, maar …… die UAS komt niet vanzelf
20 januari 2012
Het is goed dat het CvB van de HAN streeft naar meer docenten met een master en naar meer gepromoveerde docenten . De kwaliteit van het onderwijs wordt immers voor 90% bepaald door de kwaliteit van haar docenten. Mijn ervaring is echter ook dat gepromoveerde docenten vervolgens op hun docentenplek terug komen en niets met hun nieuwe aangeleerde onderzoeksvaardigheden kunnen. Met andere woorden het gaat niet alleen om docenten met meer onderzoekscompetenties, maar ook om een opleiding waarin zij iets met die competenties kunnen.
HBO kan niet zonder werkplekleren, maar leren tijdens de stage gaat niet vanzelf.
Nog een ander aandachtspunt. Ongeveer 40% van de leertijd van onze studenten brengen zij door in de praktijk. Daar staat tegenover dat 80% van de docententijd zich afspeelt binnen het instituut. Iedereen weet dat er in de beroepspraktijk potentieel gigantisch veel te leren valt. Maar die potentie wordt niet vanzelf omgezet in leeropbrengsten. Daar is bovenal begeleiding op de leerplek voor nodig. Uit onderzoek (ook van onze eigen promovendi) weten we dat die begeleiding in het algemeen nogal “fuzzy” gebeurt, te wensen overlaat. Dit geldt voor de begeleiding, maar zeker ook voor het beoordelen van leerresultaten van werkplekleren. Deze constatering lijkt me een kwaliteitsdiscussie waard. Waarom zouden we niet zeggen dat docenten in het HBO voor 30% van hun werk (praktijkgericht) onderzoek doen of studenten daarin begeleiden, 30% van hun tijd binnenschools onderwijs verzorgen en voor 30% het leren van studenten in de beroepspraktijk ondersteunen?Pas op voor politiek correcte reflexen.
Het is ontegenzeggelijk waar dat er op het Binnenhof veel gesproken wordt over het HBO. Na het primair onderwijs, het VMBO en het MBO krijgt nu het HBO de oren gewassen. De stuurlui aan de wal op het Binnenhof willen meer controle en dus meer aandacht op de leerresultaten en dus meer aandacht voor landelijk gestandaardiseerde beoordeling. Een redenering die tot nu toe nog nergens tot betere kwaliteit bleek te leiden. Het is waar dat het hanteren van een hogere late, hogere afstudeereisen de kwaliteit van afgestudeerden verhoogt. Nog even afgezien van de constatering dat dit ook samengaat met het verminderen van het aantal afgestudeerden, is er dus logischerwijs een directe relatie tussen afstudeereisen en afstudeerniveau. Maar het stellen van hogere eisen moet niet verward worden met het afnemen van centraal schriftelijke toetsen. De manier waarop nu gewerkt wordt aan beoordelingsprocedures baart zorgen. Het risico bestaat dat het criterium voor goed beoordelen vooral bepaald worden door de vraag of de beoordelingsprocedure voor externen controleerbaar en navolgbaar is. Met schriftelijke toetsing, al dan niet volgens landelijke procedures, kunnen we slechts een fractie beoordelen van waar het bij de competenties van een beroepsbeoefenaar om gaat. Meer controleerbare toetsen leidt dus tot versmalling van wat we kunnen beoordelen en bijgevolg tot verarming van de opleidingen. Want ook hier geldt: wat in de toets of het examen beoordeeld wordt krijgt het meeste aandacht in de opleiding. Wil je vaststellen of onze afgestudeerden op het vereiste niveau de arbeidsmarkt betreden dan zullen we alle competenties moeten beoordelen, ook die competenties die we niet schriftelijk kunnen toetsen en die we alleen op een minder gestandaardiseerde en dus minder controleerbare manier kunnen toetsen. Beoordelen van beroepsbekwaamheid is altijd een kwestie van mensenwerk, zal altijd subjectiviteit met zich mee brengen. Het lijkt er op dat we meer energie gaan steken in beoordelen omdat de politiek hiermee meer greep op de output van het onderwijs denkt te hebben. Niet omdat betere beoordeling tot beter leren, tot beter onderwijs leidt. Nog meer centraal schriftelijk toetsen is bevredigend voor de controleurs, maar draagt niet bij aan betere beroepsbeoefenaren. Ik zou dus maar inzetten op de professionaliteit van docent-beoordelaars en praktijkbeoordelaars. Beoordelen is een vak. Elke docent en elke praktijkopleider die deze rol krijgt toebedeeld moet hier bekwaam in zijn of worden. Een belangrijk aspect van deze bekwaamheid is integriteit. Geen enkele papieren procedure en zeker niet in beroepsopleidingen, kan voorkomen dat er subjectiviteit in de beoordeling zit. Sterker nog: juist vanwege de subjectiviteit werken beoordelingsprocedures goed. Maar dan wel zorgen dat het de subjectiviteit is van integere professionals. Dit bepaalt uiteindelijk de kwaliteit van beoordelen en de kwaliteit van de leerresultaten.

Aantal reacties: 1
1 Ruud zou wel eens gelijk kunnen hebben dat mijn tekst tijdens het interview iets te veel uitstraalt dat er niet aan de curricula gesleuteld moet worden in het kader van onze UAS-ambities. Ik heb evenwel op dit punt de wijsheid niet in pacht / zou niets willen voorschrijven en ik zou willen dat docententeams zelf bepalen welke kwalitatieve aanpassingen noodzakelijk zijn naast het inbouwen van een onderzoekleerlijn.
2 Ruud heeft koudwatervrees waar het gaat om meer centraal gedefinieerde en gestandaardiseerde toetsen. Er is net een verstandig advies verschenen over de PABO's op dit punt en ik ben het daar van harte mee eens. Je kunt niet de complete beroepsuitoefeing vertalen in een gestandaardiseerde toets en ik weet ook niet of we het grotere deel van de toetsen moeten standaardiseren, maar je maakt mij niet wijs dat de wiskunde in het eerste jaar bij electrotechniek bij ons echt anders moet zijn dan die in Groningen of Heerlen. En er zijn zeer hoogwaardige beroepen waarbij de opleidingen wel degelijk deels gestandaardiseerd worden getoetst. En de winst die we pakken als niet iedereen weer zijn eigen wiel uitvindt, tijd die we kunnen besteden aan contact met studenten!
3 Ik ben het oneens met Ruud waar het gaat om het adequaat documenteren van toetsen. Het zijn de professionals die moeten oordelen en we moeten durven vertrouwen op dat oordeel, maar het is ook van belang dat dat oordeel gedocumenteerd wordt, waardoor het oordeel ook altijd te reproduceren is. Omwille van de legitimatie, verantwoording en validiteit, voorwaar een groot goed.