Aandacht voor onderzoekende houding startende docent in pedagogisch-didactische cursus
16 mei 2011
Nieuwe docenten bij de HAN, die geen onderwijsbevoegdheid hebben, zijn verplicht een pedagogisch-didactische aantekening te behalen. Carla van Rijn (NDO): "In de cursus proberen we docenten d.m.v. onderzoek opnieuw te leren kijken naar het eigen docent-gedrag en naar de effecten daarvan. Dit bevordert een reflectieve houding en kan uiteindelijk leiden tot een verbetering van de eigen werkpraktijk".
De pedagogisch-didactische aantekenning
De pedagogisch-didactische aantekening is te behalen door een pedagogisch-didactische cursus te volgen, die is gescreend op kwaliteit. Binnen de HAN zijn dat de cursussen die worden aangeboden door NDO en VDO. Naar aanleiding van de discussie rondom de University of Applied Sciences en welke competenties dat vraagt van de docenten van de HAN hebben beide aanbieders hun cursussen ook hierop aangepast. Behalve de onderwerpen die in de cursussen altijd al aan de orde waren, zoals onderwijs ontwerpen, onderwijs uitvoeren en toetsen en beoordelen, wordt er nu ook aandacht geschonken aan de onderzoekscompetentie. Wat dat precies betekent vroegen we aan Carla van Rijn (NDO) en Ruth Bruggemann(VDO). Zij zijn beiden vanuit hun organisatie betrokken bij het ontwikkelen en uitvoeren van de pedagogisch-didactische cursussen.
Waarom besteden jullie in de pedagogisch-didactische cursus aandacht aan de ´onderzoekscompetentie´ van docenten?
Carla van Rijn (NDO) geeft hiervoor meerdere redenen aan : "Het bevorderen van de onderzoekende houding als docent is, voor wat betreft de pedagogisch-didactische cursus, het belangrijkst. Immers: deelnemers aan de pedagogisch-didactische cursus zijn over het algemeen startende docenten, met ervaring in het werkveld waar ze voor opleiden. We zien dat startende docenten hun handelen vaak baseren op intuïtie, op eigen ervaringen met onderwijs en op mensenkennis. Ze gaan gevoelsmatig te werk en ze doen het gevoelsmatig vaak best goed. Een nadeel van het werken op basis van intuïtie is dat het moeilijk wordt het handelen en de feitelijke effecten te benoemen. Een ander nadeel is de neiging om te zoeken naar bevestiging van intuïtie. Dit leidt ertoe dat vooral informatie gesignaleerd wordt die de eigen ideeën, visies en theorieën bevestigt (confirmation bias). In de cursus proberen we docenten d.m.v. onderzoek opnieuw te leren kijken naar het eigen docent-gedrag en naar de effecten daarvan. Observeren, analyseren, conceptualiseren, concluderen en uitproberen staan centraal. Dit bevordert een reflectieve houding en kan uiteindelijk leiden tot een verbetering van de eigen werkpraktijk".
Ruth Bruggemann(VDO) vult aan: " Een deelnemer van een leergang didactiek voor HBO-docenten bij VDO zei laatst: ´we willen mensen opleiden die reflectieve professionals worden´. Mijn antwoord was toen: ´dat leidt in het vervolg ook tot de noodzaak dat jullie ook reflectieve practitioners worden´. Iedereen in de groep was het daarmee eens. De didactische en pedagogische bekwaamheid van de hbo-docent wordt aangevuld met de onderzoekende houding en samen zijn ze onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dit is ook noodzakelijk omdat de hbo-docent onderzoekend in zijn eigen praktijk moet kunnen staan, deze onderzoekend moet kunnen vernieuwen en verbeteren . Anders kan het hbo zich moeilijk met alle ontwikkelingen meeontwikkelen".
Hoe komt dit in de cursus tot uiting?
Ruth Bruggemann : "Door intervisie en reflectie(-methoden) worden de deelnemers van de leergang didactiek gestimuleerd onderzoekend naar alle onderdelen van hun praktijk die ook onderdeel uitmaakt van de leergang te kijken. De deelnemers krijgen gerichte opdrachten waarmee zij in hun praktijk aan het werk gaan en die op de contactdagen verdiept worden. Iedere deelnemer dient een bewijsstuk voor zijn onderzoekende houding, als reflectieve practioner ook in zijn portfolio in te brengen".
Carla van Rijn is van mening dat ´onderzoeken´ in de pedagogisch-didactische cursus feitelijk betekent dat docenten de cyclus van ervaringsleren expliciet doorlopen door middel van een praktijkonderzoek. Docenten leren om eigen lessituaties te onderzoeken aan de hand van een eigen leervraag. Het onderzoek start met oriënteren: waar kijk je naar en hoe ga je kijken? Ze verzamelen informatie over de lessituatie door het eigen gedrag te observeren en door bijv. studenten te bevragen. Daarnaast gaan ze bekijken wat de theorie over de eigen vraagstelling zegt. Verzamelde informatie, aangevuld met theorie, vormt de basis voor een voorlopige conclusie (werkmodel) m.b.t. de eigen leervraag. Het werkmodel proberen ze uit in de eigen praktijk, ze verzamelen opnieuw informatie en ze presenteren de resultaten.
Behalve het ´met een onderzoekende houding´ werken in de eigen lespraktijk wordt in de pedagogisch didactische cursus één bijeenkomst besteed aan de betekenis van ´onderzoek doen´ voor hbo-docenten. Ze leren over de functies van onderzoek in het hboen over de relatie tussen onderwijs en kenniskringen binnen de HAN".
Wat vinden jullie zelf van deze ontwikkeling?
Ruth Bruggemann: "Voor een deel maakte onderzoek in de zin van de onderzoekende houding van de docent al onderdeel uit van de leergang (het werken met een startdiagnose, POP, PAP, reflectie en zelfevaluatie). Nu krijgt deze bekwaamheid extra aandacht en dat is goed. Om aan te sluiten bij het citaat van een deelnemer: ´de reflectieve professional in de praktijk heeft een reflectieve professional in de opleiding nodig´. Graag willen wij ook meedenken hoe aan het onderzoek doen in de brede zin van het woord vorm kan worden gegeven".
Ook bij NDO had men altijd al veel aandacht voor reflectie in de cursussen, zegt Carla van Rijn. "Onderzoek doen naar de eigen werkpraktijk vraagt echter een nog actievere betrokkenheid van docenten bij het eigen leren en dat is goed. Veel hbo-docenten hebben weliswaar ervaring met (wetenschappelijk) onderzoek doen, maar dat is toch echt iets anders dan het onderzoeken van het eigen pedagogisch-didactisch handelen als docent.
Door onderzoek te doen verschuift voor docenten de vraag van ´wat werkt?´ naar ´hoe werkt het?´, en nog specifieker naar ´hoe werkt het voor mij?´ en ´hoe weet ik dat?´. Door het expliciet opnemen van ´onderzoek doen´ in de cursus ervaren docenten hetgeen ze ook hun studenten moeten leren. We zien het als een verrijking van onze cursus".
Waarom besteden jullie in de pedagogisch-didactische cursus aandacht aan de ´onderzoekscompetentie´ van docenten?
Carla van Rijn (NDO) geeft hiervoor meerdere redenen aan : "Het bevorderen van de onderzoekende houding als docent is, voor wat betreft de pedagogisch-didactische cursus, het belangrijkst. Immers: deelnemers aan de pedagogisch-didactische cursus zijn over het algemeen startende docenten, met ervaring in het werkveld waar ze voor opleiden. We zien dat startende docenten hun handelen vaak baseren op intuïtie, op eigen ervaringen met onderwijs en op mensenkennis. Ze gaan gevoelsmatig te werk en ze doen het gevoelsmatig vaak best goed. Een nadeel van het werken op basis van intuïtie is dat het moeilijk wordt het handelen en de feitelijke effecten te benoemen. Een ander nadeel is de neiging om te zoeken naar bevestiging van intuïtie. Dit leidt ertoe dat vooral informatie gesignaleerd wordt die de eigen ideeën, visies en theorieën bevestigt (confirmation bias). In de cursus proberen we docenten d.m.v. onderzoek opnieuw te leren kijken naar het eigen docent-gedrag en naar de effecten daarvan. Observeren, analyseren, conceptualiseren, concluderen en uitproberen staan centraal. Dit bevordert een reflectieve houding en kan uiteindelijk leiden tot een verbetering van de eigen werkpraktijk".
Ruth Bruggemann(VDO) vult aan: " Een deelnemer van een leergang didactiek voor HBO-docenten bij VDO zei laatst: ´we willen mensen opleiden die reflectieve professionals worden´. Mijn antwoord was toen: ´dat leidt in het vervolg ook tot de noodzaak dat jullie ook reflectieve practitioners worden´. Iedereen in de groep was het daarmee eens. De didactische en pedagogische bekwaamheid van de hbo-docent wordt aangevuld met de onderzoekende houding en samen zijn ze onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dit is ook noodzakelijk omdat de hbo-docent onderzoekend in zijn eigen praktijk moet kunnen staan, deze onderzoekend moet kunnen vernieuwen en verbeteren . Anders kan het hbo zich moeilijk met alle ontwikkelingen meeontwikkelen".
Hoe komt dit in de cursus tot uiting?
Ruth Bruggemann : "Door intervisie en reflectie(-methoden) worden de deelnemers van de leergang didactiek gestimuleerd onderzoekend naar alle onderdelen van hun praktijk die ook onderdeel uitmaakt van de leergang te kijken. De deelnemers krijgen gerichte opdrachten waarmee zij in hun praktijk aan het werk gaan en die op de contactdagen verdiept worden. Iedere deelnemer dient een bewijsstuk voor zijn onderzoekende houding, als reflectieve practioner ook in zijn portfolio in te brengen".
Carla van Rijn is van mening dat ´onderzoeken´ in de pedagogisch-didactische cursus feitelijk betekent dat docenten de cyclus van ervaringsleren expliciet doorlopen door middel van een praktijkonderzoek. Docenten leren om eigen lessituaties te onderzoeken aan de hand van een eigen leervraag. Het onderzoek start met oriënteren: waar kijk je naar en hoe ga je kijken? Ze verzamelen informatie over de lessituatie door het eigen gedrag te observeren en door bijv. studenten te bevragen. Daarnaast gaan ze bekijken wat de theorie over de eigen vraagstelling zegt. Verzamelde informatie, aangevuld met theorie, vormt de basis voor een voorlopige conclusie (werkmodel) m.b.t. de eigen leervraag. Het werkmodel proberen ze uit in de eigen praktijk, ze verzamelen opnieuw informatie en ze presenteren de resultaten.
Behalve het ´met een onderzoekende houding´ werken in de eigen lespraktijk wordt in de pedagogisch didactische cursus één bijeenkomst besteed aan de betekenis van ´onderzoek doen´ voor hbo-docenten. Ze leren over de functies van onderzoek in het hboen over de relatie tussen onderwijs en kenniskringen binnen de HAN".
Wat vinden jullie zelf van deze ontwikkeling?
Ruth Bruggemann: "Voor een deel maakte onderzoek in de zin van de onderzoekende houding van de docent al onderdeel uit van de leergang (het werken met een startdiagnose, POP, PAP, reflectie en zelfevaluatie). Nu krijgt deze bekwaamheid extra aandacht en dat is goed. Om aan te sluiten bij het citaat van een deelnemer: ´de reflectieve professional in de praktijk heeft een reflectieve professional in de opleiding nodig´. Graag willen wij ook meedenken hoe aan het onderzoek doen in de brede zin van het woord vorm kan worden gegeven".
Ook bij NDO had men altijd al veel aandacht voor reflectie in de cursussen, zegt Carla van Rijn. "Onderzoek doen naar de eigen werkpraktijk vraagt echter een nog actievere betrokkenheid van docenten bij het eigen leren en dat is goed. Veel hbo-docenten hebben weliswaar ervaring met (wetenschappelijk) onderzoek doen, maar dat is toch echt iets anders dan het onderzoeken van het eigen pedagogisch-didactisch handelen als docent.
Door onderzoek te doen verschuift voor docenten de vraag van ´wat werkt?´ naar ´hoe werkt het?´, en nog specifieker naar ´hoe werkt het voor mij?´ en ´hoe weet ik dat?´. Door het expliciet opnemen van ´onderzoek doen´ in de cursus ervaren docenten hetgeen ze ook hun studenten moeten leren. We zien het als een verrijking van onze cursus".

Aantal reacties: 0